| Adverteren | Over Ons |  Contact | 
The breed originated from a series of matings carried out by Lord Tweedmouth from 1864 onwards. The starting point was his acquisition of a good looking yellow coloured Flat Coated Retriever which he took to his estate at Guisechan, near Inverness in Scotland. He mated this dog to a Tweed Water Spaniel, a breed now long extinct, and then bred on from the offspring of this mating using the occasional outcross to an Irish Setter, a second Tweed Water Spaniel and a black Flat Coated Retriever. The dogs produced proved to be grand workers, biddable and attractive. Puppies from the matings were given to friends and family, notably his nephew, Lord Ilchester, who also bred them. The dogs bred true to type, and so the forerunners of the breed we know today were established
 
 
Mrs Chalesworth with Noranby Sandy (left) & Noranby Balfour
 
 
Guisechan House
 
 
St.Hubertus Peter owned by Col Le Poer Trench

 

Geschiedenis van de Golden Retriever door de Graaf van Ilchester

Apporteerhonden

De naam 'Retriever' is de aanduiding voor een aantal Engelse jachthondenrassen dat als belangrijkste taak het apporteren heeft. Overigens gebruikte men de naam Retriever reeds lang voordat de huidige Retrieverrassen bestonden. De naam stamt af van het Engelse werkwoord 'to retrieve', het beste te vertalen met terugvinden, ophalen of apporteren. Een Retriever was een hond die het geschoten wild en speciaal het gevleugelde wild, moest vinden en apporteren. Deze jachteigenschap was niet speciaal aan een bepaald ras gebonden, maar kon door alle mogelijke jachthonden worden uitgevoerd. Ze moesten echter allemaal aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze honden moesten een voorliefde voor water hebben, goed kunnen zwemmen, graag willen apporteren en een dichte vacht met goed isolerende onderwol bezitten.

Door een geleidelijke verandering binnen de landbouw en verbetering van de jachtgeweren, waardoor men op grotere afstand het wild kon schieten, veranderde ook de wijze van jagen. Het gevolg daarvan was dat men ook andere eisen aan de jachthonden ging stellen.

De staande jachthonden, zoals Setters, pointers en Spaniëls, die tot dan toen het meest voor de jacht werden gebruikt, jagen met een hoge neus. Op deze manier vangen zij de geur van het wild op en wijzen dit aan door 'voor te staan'. Nu werd het wild op grotere afstand beschoten en gebeurde het regelmatig dat het wild werd geraakt, maar niet gedood.

Zodoende kreeg het aangeschoten wild de kans om een goede schuilplaats te zoeken. De taak van de honden was nu het geschoten of aangeschoten wild te vinden en het te apporteren. Hiervoor had de jager een hond nodig met een goede neus, een goed herinneringsvermogen, een grote intelligentie, een ijzersterke conditie en een grote apporteerlust. De Pointers, Setters en ook Spaniëls die men voor dit doel had afgericht, bleken naderhand niet meer met de gewenste zekerheid te gaan voorstaan; daarbij ging de Pointer meestal ook niet graag in het koude water.

De Engelsen veroorloofden zich de luxe om voor ieder jachtdoel een aparte hond te fokken en zo kwamen ze op de Retriever, een hond die zowel een goede apporteur moest zijn als een uitstekende zwemmer.

Van oorsprong circushonden?

Tot de jaren vijftig van onze eeuw was de oorsprong van de Golden Retriever dikwijls aanleiding tot heftige discussies. Veel liefhebbers geloofden het verhaal dat de grondlegger van de Golden Retriever, Sir Dudley Marjoribanks, de latere Lord Tweedmouth in 1858 in de Engelse plaats Brighton een groep Russische circushonden had gekocht. Deze zou hij als jachthonden en zweethonden voor het opsporen van gewonde herten naar Guisachan, zijn Schotse landgoed hebben gehaald.

Er werd beweerd dat hij lange tijd met deze honden en hun afstammelingen zou hebben gefokt, waarbij hij uitsluitend gebruik maakte van een Bloedhond voor wat bloedverversing. Als Lord Tweedmouth pups over had, gaf hij deze weg aan vrienden en bekenden.

Dit standpunt over de oorsprong van de Golden Retriever werd ondersteund door Col. the Hon. W. le Poer Trench van de St. Hubert-kennel. Hij was in het bezit van een of twee van deze honden die, naar hij zei van zuiver Russische fokkerij waren. Foto's van zijn honden laten een soort bleek reekleurig Pyreneese Berghond zien die groot en krachtig was en een overvloedige vacht bezat.

Ook de nodige kynologische auteurs deden een duit in het zakje als het erom ging het verhaal van de eerste honden van Lord Tweedmouth zo smeuïg mogelijk te brengen.

Een voorbeeld uit een boek dat vóór 1950 verscheen:
'In 1858 zag Sir Dudley Marjoribanks in de Engelse badplaats Brighton een voorstelling van een reizend circus. Een onderdeel daarvan werd gevormd door een groep goed getrainde Russische jacht- of herdershonden. Sir Dudley was zo onder de indruk van de schranderheid en het fraaie uiterlijk van deze honden, dat hij besloot er een paar te kopen. De trainer van de honden was echter niet bereid om te verkopen en voerde aan dat daardoor zijn hele act kapot zou zijn. Daarop deed Sir Dudley het aanbod de hele groep te kopen. Deze kwamen daarop naar het landgoed van hun nieuwe eigenaar, die met ze fokte en zo de grondslag legde voor het ras van Golden Retrievers.'

Het publiek vond dit verhaal heerlijk, maar de echte hondenliefhebbers niet. Zij voerden altijd aan dat een goede en ervaren jager nooit honden zou kopen 'omdat ze het op het toneel zo leuk deden'. Natuurlijk waren zulke honden gehoorzaam en goed te trainen, maar een goede Retriever moet dikwijls helemaal zelfstandig werken zonder de aanwijzingen van een trainer. Daarvoor was eigen initiatief van de honden dus van grote waarde en dat was nu juist iets dat circushonden niet mochten hebben, want anders zou de voorstelling dikwijls mislukken.

Lord Tweedmouth was een kenner van de jacht en de jachthonden en hij zou iets dergelijks nooit over het hoofd hebben gezien. Maar toch, dit was het enige verhaal en het ging er bij het grote publiek goed in.

Er was echter ook een aantal liefhebbers dat om een andere reden weinig geloof hechtte aan de Russische afstamming van de Golden Retriever. Volgens hun opvattingen waren de Goldens afstammelingen van de leverkleurige honden, die af en toe in de nesten van zwarte Flatcoated of Wavycoated Retrievers voorkwamen, evenals dat bij de Curly-coateds het geval was. Deze leverkleurige honden hadden overigens kleuren die varieerden van bleekgeel tot bruin.

De ware oorsprong

Niemand zou ooit te weten zijn gekomen welke visie op de oorsprong van het ras juist was, als niet de zesde Graaf van Ilchecter, een achterneef van Lord Tweedmouth, in 1952 in het blad 'Country Life' een artikel zou hebben geplaatst dat nadere opheldering verschafte over de fokkerij van Lord Tweedmouth. In dat artikel stonden namelijk de van 1835 tot 1890 nauwgezet bijgehouden kennelgegevens vermeld, die in de archieven van de familie bewaard waren gebleven. Daarin stond niets vermeld over wat voor Russische honden dan ook. Wel dat Lord Tweedmouth in 1865 zijn eerste gele Retriever in Brighton kocht. Het was de reu 'Nous' die in 1864 geboren was en werd gefokt door de Graaf van Chilester uit ouders van onbekende afstamming. In 1867 kreeg Lord Tweedmouth de vier jaar oude Tweed Waterspaniël teef 'Bell' van zijn neef David Robertson, die in Ladykirk woonde aan het riviertje de Tweed.

Tweed Waterspaniëls zijn uitgestorven. Ze leken wat op een kleine Retriever, waren leverkleurig en hadden lang krullend haar. De Tweed Waterspaniëls waren tamelijk zeldzaam, hoewel ze in een aantal oude boeken over honden worden genoemd. De beste beschrijving van deze honden zijn te vinden bij J.H. Walsh, die onder het pseudoniem 'Stonehenge' in zijn in 1855 verschenen boek 'Manual of British Rural Sports' schreef:

'De Tweedside Spaniël; deze gelijkt in zijn uiterlijk voor een groot deel op de kleine Engelse Retriever van een leverkleur'.

'Nous', een naam die 'wijsheid' betekent, en 'Belle' brachten in 1868 op het landgoed Guisachan in Inverness-shire vier gele pups, die 'Crocus', 'Ada', 'Primrose' en 'Cowslip' werden genoemd. Zij vormden de oorsprong van de Golden Retriever als ras. Met uitzondering van moeder 'Belle' en haar nakomeling 'Primrose' bestaan er foto's van deze eerste honden. Daarop is te zien dat de nakomelingen al een opvallende gelijkenis in type vertonen met de moderne Golden Retrievers. Ze waren goudbruin van kleur en hadden een overvloedige en golvende beharing. Enkele honden waren behoorlijk aan de grote kant, maar andere waren al van het goede formaat.

Lord Tweedmouth gaf 'Ada' aan de vijfde Graaf van Ilchester en zij vormde bij hem het begin van zijn 'Melbury'-stam, die later bekend zou worden voor zwarte Retrievers. De teef 'Cowslip' bleef in het bezit van Lord Tweedmouth en hij gebruikte haar en haar nakomelingen om zijn ideaalbeeld van een gele, langharige Retriever te verwezenlijken.

'Cowslip' de dochter van 'Nous', een gele hond van onbekende afstamming, en de Tweed Waterspaniël teef 'Belle' waren dus voor de helft een Tweed Waterspaniël. De stamteef 'Cowslip' kreeg in 1873 haar eerste nest door een dekking met een Tweed Spaniël, die luisterde naar de naam 'Tweed'. Uit deze combinatie kwam, naast enkele andere honden, ook de teef 'Topsy'. Deze 'Topsy' werd in 1877 op haar beurt gedekt door de zwarte, krulharige Retriever reu 'Sambo' en daaruit werd onder andere de teef 'Zoë' geboren. Ook deze teef werd door Lord Tweedmouth voor de verdere fokkerij aangehouden.

Een tweede paring van de stamteef 'Cowslip' vond plaats met de Ierse Setterl reu 'Sampson' en deze combinatie bracht in 1875 onder meer de nakomelingen 'Jack' en 'Gill'.

Lord Tweedmouth paarde nu de teef 'Zoë' met 'Jack' en daaruit kwamen vier gele pups. Daarvan werden de reu 'Nous II' en de teven 'Tansey' en 'Gill II' voor de verdere fokkerij aangehouden.

'Gill II' werd weer gepaard met een zwarte, krulharige Retriever, die luisterde naar de naam 'Tracer'. Deze 'Tracer' kwam uit een lijn waarin vaker leverkleurige honden waren voortgekomen. De combinatie van 'Tracer' en 'Gill II' bracht tien pups, waarvan de teef 'Queenie' later werd gedekt door haar oom 'Nous II'. Uit die combinatie kwamen in 1899 de twee gele teven 'Prim' en 'Rose', die tevens de twee laatste registraties van Lord Tweedmouth in zijn kennelregister betekenden.

Het is bekend dat Lord Tweedmouth rond 1890 een kruising heeft toegepast met een zandkleurige Bloedhond, maar deze is niet meer in zijn kennelregistraties opgenomen. De nakomelingen uit deze kruising zouden naar verluid zeer slecht zijn geweest; ze waren te groot en voor een deel te agressief. Ze zijn waarschijnlijk nooit verder voor de fokkerij van Golden Retrievers gebruikt.

De verdere ontwikkeling

In 1894 overleed Lord Tweedmouth. De tweede Lord Tweedmouth en zijn neef de vijfde Graaf van Ilchester hielden helaas geen kennelregistraties bij en weinig van de door hen gefokte 'Yellow Retrievers' stonden geregistreerd. Daardoor ontbreekt er een belangrijke schakel in de geschiedenis van de Golden Retrievers.

Zeker is dat de eerste Burggraaf van Harcourt een van de eersten was die het ras op tentoonstellingen bracht. Hij kocht zijn eerste paar pups uit een nest dat een van de jachtopzieners van Guisachan, John MacLennan, fokte uit een dochter van 'Lady', een op Guisachan gefokte teef die in het bezit was van Archie Marjoribanks, de jongste zoon van de eerste Lord Tweedmouth.

De Burggraaf van Harcourt, Lord Harcourt, fokte met deze honden verder onder de kennelnaam 'Culham'. Uit deze fokkerij vormen 'Culham Brass' en 'Culham Copper' de belangrijkste honden, die overigens in nagenoeg alle stambomen van de huidige Golden Retrievers als verre voorouders voorkomen.

Behalve de lijn van Lord Tweedmouth waren er rond de eeuwwisseling nog enkele andere belangrijke kennels zoals 'Ingestre' van W. Macdonald, die naar zijn zeggen was begonnen met een leverkleurige Flatcoated Retriever. Zijn zeer bekende 'Yellow Nell' werd gefokt uit twee 'Ingestre'-ouders die echter weer van ongeregistreerde ouderdieren afstamden. Men neemt echter aan dat ze nauw verbonden was aan het Guisachan-bloed. Een groot aantal van de door Macdonald gefokte 'gele' had een zwarte Flatcoated Retriever als vader.

In 1906 kreeg Mrs. W.M. Charlesworth haar eerste Golden Retriever, een teef zonder stamboom, die ze 'Normanby Beauty' noemde. Spoedig daarna begon ze ook met het fokken van Goldens en haar Normanby-kennel stond binnen korte tijd aan de top op zowel tentoonstellingen als Field Trials (veldwedstrijden). In 1912 veranderde ze haar kennelnaam in 'Noranby'.

Tot dan toe werden de Goldens op tentoonstellingen uitgebracht onder de Flatcoated Retrievers en waren ze alleen aan hun kleur te herkennen. Vanaf 1913 kreeg de Golden Retriever de officiële erkenning van de Engelse Kennel Club als een zelfstandig ras onder de naam 'Golden or Yellow Retriever'. In 1920 verdween de toevoeging 'or Yellow' uit de naam en sprak men alleen nog over de Golden Retriever. In 1913 werd onder de bezielende leiding van Mrs. Charlesworth in Engeland de Golden Retriever Club opgericht, die er tevens voor zorgde dat de officiële rasstandaard voor de Golden Retriever werd opgesteld.